Maanden trainen voor één minuut winst.
Dat was mijn eerste gedachte toen ik na de Koning van Spanje mijn eindtijd zag. Drie jaar eerder had ik dezelfde race gelopen, door dezelfde Zuid-Limburgse heuvels, over grotendeels hetzelfde parcours en ongeveer dezelfde afstand. En ondanks maanden gerichter trainen was ik nauwelijks sneller. Eén minuut. Dat vond ik bijna absurd, en het stak ook, want in die drie jaar was alles veranderd: mijn conditie, mijn training, hoe ik naar vermoeidheid keek en hoe ik mezelf als loper zag.
Ik werd fitter, maar niet beter in trails
Drie jaar geleden liep ik trails vooral op karakter: hard blijven gaan en niet opgeven. Door CrossFit was ik gewend aan intensiteit en kon ik goed tegen ongemak, en ik vond het mooi om breed fit te zijn: sterk, explosief en overal redelijk goed in. Ik ben destijds niet met CrossFit begonnen omdat hardlopen me minder kon schelen. Ik wilde juist een sterkere loper worden, iemand die meer kon hebben. Trailrunning bleef dus altijd de rode draad, alleen trainde ik lange tijd alsof algemene fitheid vanzelf zou doorwerken in lange trails.
In het begin werkte dat ook: ik werd sterker en belastbaarder. Maar algemeen fit zijn is iets anders dan goed zijn in lange trailraces. Ik herstelde niet snel genoeg voor de kilometers die ik liep, vermoeidheid bleef langer hangen, en hoe beter mijn conditie werd, hoe duidelijker ik merkte dat lange trails vaak niet op conditie worden beslist.
Dat wilde ik toen nog niet horen. Het was makkelijker om fit te zijn dan toe te geven dat ik op een paar punten tekortkwam, en hoe groot dat tekort was, zag ik pas later. Mijn voeten landden minder precies en afdalen kostte meer concentratie. Alleen fit zijn was dus niet genoeg. Ik moest ook scherp blijven als ik moe werd.
Van rustiger trainen ging ik juist twijfelen
Richting de Chianti Marathon Trail in maart 2026 veranderde mijn training. Ik richtte me minder op algemene fitheid en meer op één vraag: hoe blijf je urenlang goed lopen zonder in te storten? Dus meer lange duurlopen, meer rustige blokken en minder vaak de intensiteit opzoeken, en in het begin had ik het gevoel dat ik het verkeerd deed.

Tussen Chianti en de Koning van Spanje: te kort om opnieuw op te bouwen, te lang om de vorm vast te houden
Jarenlang vond ik een training pas goed als ik er moe van werd. Ik wilde thuiskomen met het idee dat ik écht iets had gedaan. Juist daarom had ik bij rustig trainen soms het gevoel dat ik mezelf inhield.
Ondertussen zag ik wel dingen veranderen. Mijn hartslag bleef stabieler tijdens lange inspanningen, ik kon langer gecontroleerd blijven lopen zonder leeg te raken, en zelfs na uren bewegen zakte ik minder in elkaar dan vroeger. Dat was nieuw voor me, en ook ongemakkelijk, want ik mat een goede training niet meer af aan hoe kapot ik thuiskwam, maar aan wat ik aan het eind nog overhad.
In CrossFit kun je veel oplossen met agressie, kracht en doorzetten, maar in een lange trailrace kom je daar niet ver mee. Daar gaat het er minder om hoe hard je even kunt gaan, en veel meer om hoeveel je nog overhebt als je al uren onderweg bent.
Het verval begint vaak lang vóór je het doorhebt
Chianti werd een soort kantelpunt. Daar merkte ik voor het eerst dat mijn training begon aan te sluiten op wat lange trails vragen. Ruim vijf uur lang bleef mijn hartslag laag voor het tempo dat ik liep, en zelfs na uren klimmen zat er nog controle in mijn benen. Tegelijk zag ik in Chianti ook waar ik nog tekortkwam. Met mijn conditie kwam ik ver genoeg, maar daarna begon het pas echt: vermoeide voeten, instabiele enkels en een concentratie die langzaam wegzakte. Bij trailrunning draait het veel meer om lang de controle houden dan ik jarenlang had gedacht.
Na Chianti stopte ik daarom met CrossFit. Krachttraining bleef ik wel doen, maar ik geloofde niet meer dat willekeurige intensiteit je een betere trailloper maakt. Alles moest bijdragen aan één ding: langer goed blijven lopen als de vermoeidheid zich opstapelt.
Zelfs een driedaagse hike in Luxemburg hoorde daarbij, met flink wat hoogtemeters en een volle rugzak. Achteraf maakten die dagen me sterker én kwetsbaarder. Sterker, omdat ik precies zo moe werd als je in een trail moe wordt. Kwetsbaarder, omdat zo’n belasting dieper in je lijf gaat zitten dan je op dat moment doorhebt.

De Mullerthal Trail in Luxemburg bestaat uit drie lussen.
Juist doordat mijn conditie beter was, zag ik dat een trailrace zelden alleen op conditie stukloopt. Het verval begint subtieler: een afdaling waarin je net iets minder scherp bent, een voet die een paar centimeter verkeerd landt, een lichaam dat vooruit wil maar steeds iets minder controle heeft.
Eindelijk een rustige race. Tot kilometer 32.
Het taperen richting de Koning van Spanje vond ik mentaal lastig. Zodra ik minder ging trainen, begon ik te twijfelen, want met minder kilometers had ik het gevoel dat ik terrein verloor. Dat ongemak kende ik al van Chianti: zodra de belasting afneemt, moet je vertrouwen op werk dat je niet meer direct voelt. Achteraf is dat logisch. Tijdens een zwaar trainingsblok zie je vermoeidheid vaak als bewijs dat je goed bezig bent, terwijl taperen juist draait om het omgekeerde: de vermoeidheid laten zakken, zodat je die fitheid ook echt kunt gebruiken.
In die laatste weken voelde ik me steeds beter. Op rustig tempo bleef alles onder controle, mijn hartslag bleef lager dan vroeger bij dezelfde inspanning, en voor het eerst zeiden mijn gevoel en mijn data hetzelfde: qua conditie was ik er klaar voor. Daardoor was de race zelf eerst verrassend rustig. Ik startte niet overhaast, joeg niet omhoog op de klimmen en bleef gecontroleerd lopen. Voor het eerst hoefde ik zo’n race niet te overleven, en pas toen merkte ik hoeveel rust een lange trail vraagt.

Bij een rustpunt zette ik muziek aan om mijn ritme vast te houden richting de laatste kilometers, en nog geen kilometer later verzwikte ik mijn enkel. Misschien lette ik door die muziek net iets minder op de ondergrond, maar het kan ook vermoeidheid zijn geweest. Dat is achteraf het irritante aan zo’n moment: je kunt het pech noemen, maar ergens weet je ook dat je door vermoeidheid vaak als eerste minder oplet. Uitstappen hoefde niet, maar de rest van de race liep wel anders. Sommige stukken moest ik wandelen, technische afdalingen nam ik voorzichtiger en mijn ritme was weg. Toch finishte ik nog onder de vier uur, in 3:58.
Eén minuut sneller zei bijna niets
Pas later begreep ik waarom die race me ondanks alles vertrouwen gaf. Als ik 2026 naast 2023 leg, zie ik vooral een heel andere loper.
Drie jaar eerder liep ik vooral op agressie en afzien, met een hogere hartslag en meer verval. In 2026 liep ik gecontroleerder en rustiger, en ik wist precies waar mijn zwakke plekken zaten: mijn enkels, vermoeidheid in technische afdalingen en scherp blijven als ik moe werd. Vreemd genoeg vond ik dat positief, want specifieke zwakke plekken betekenen meestal dat de basis inmiddels staat.
Daarom werd die ene minuut achteraf minder belangrijk. Het grootste verschil zat in hoe ik liep: hoe ik mijn race indeelde, hoe ik met vermoeidheid omging en hoe ik mezelf in de hand hield zonder vroeg kapot te gaan. Voor het eerst trainde ik om fitter én een betere trailrunner te worden.

Dus nee, die ene minuut zei bijna niets. Drie jaar geleden was ik vooral iemand die pijn kon verdragen. Nu leer ik ook hoeveel aandacht ik nog over moet hebben als het pijn begint te doen.





