Je hebt het plan en de data. Je hebt weken gevuld met kilometers, hoogtemeters en trainingsweken die allemaal dezelfde kant op wijzen. Alles lijkt te kloppen.
Na dertig kilometer in de Toscaanse zon merk je dat cijfers niet alles vertellen over goed blijven bewegen.
De data was niet fout. De race vroeg iets wat ik vooraf nog niet kon zien. Controle voelde zo goed dat ik vergat te vragen waar ik blind bleef.
Meten maakte twijfel kleiner
Ik begon deze voorbereiding met een duidelijk idee: als ik mijn training goed opbouw, mijn belasting slim doseer en realistisch pace, dan zou de race daar een logisch gevolg van moeten zijn. Vermogen, hartslag en trainingsload gaven allemaal richting.
Het gaf ook rust. Meten leek de ruimte voor twijfel te verkleinen. In de loop van de weken verschoof dat beeld. Die data klopte, maar ik leunde er ongemerkt steeds meer op.
De data hielp me beter trainen en hield tegelijk onzekerheid klein. Daar zit een dunne grens tussen sturen op informatie en jezelf wijsmaken dat controle hetzelfde is als voorbereiding.
Ik zat dichter bij die tweede kant dan ik op dat moment wilde toegeven.
Objectief gezien was het trainingsblok goed. Trailrunning vormde de basis, met CrossFit daarnaast voor kracht en belastbaarheid. Ik liep lange duurlopen richting vier uur, maakte serieuze hoogtemeters en hield mijn Pw:Hr drift laag. Het plaatje klopte. Daardoor stelde ik steeds minder vragen bij wat er nog ontbrak.
Mijn conditie werd beter en liet nog veel buiten beeld
Al die cijfers bevestigden dat mijn motor sterk genoeg was, maar ze zeiden weinig over iets anders.
18 weken rennen, tillen, vallen en weer opstaan
Dat andere ging over urenlang kleine correcties blijven maken en over de overgang van kracht naar souplesse: stabiel lopen dat verandert in nét iets zwaardere passen, gecontroleerd bewegen dat energie verliest in details die op zichzelf nauwelijks opvallen.
Ik wist dat ergens wel. Alleen had ik het nog niet vertaald naar hoe ik trainde.
In de taperfase werd dat spanningsveld zichtbaarder. Mijn trainingsload daalde, mijn vermoeidheid nam af en alles wees erop dat ik frisser werd. Maar zo voelde het niet meteen.
Taperen maakt dat ongemak zichtbaar. Vertrouwen groeit niet netjes mee met je fysieke vorm. Soms voelt het alsof je iets verliest, terwijl je lichaam ruimte maakt voor herstel. Onder die twijfel zat nog iets anders: behoefte aan bevestiging.
Zolang de cijfers goed blijven, voelt het goed. Zodra dat minder zichtbaar wordt, ontstaat er twijfel. Achteraf werd dit een van de redenen waarom ik anders naar data, trainingssystemen en controle ben gaan kijken.
De race vóór Chianti gaf vertrouwen, iets te makkelijk
Twee weken voor Chianti liep ik de Sallandse Heuveltrail, 21 kilometer met ongeveer 250 hoogtemeters. Ik werd negende in 1:42. Geen piek, maar wel een belangrijk moment: even uit de trainingscontext stappen en voelen hoe het is om weer een wedstrijd te lopen, tempo te maken, te reageren en te doseren.
Die race gaf vertrouwen.
Een mooi parcours, maar minder stevige heuvels dan de grafiek doet vermoeden
Tegelijk liet het vooral zien dat alles goed genoeg was, zonder dat de race testte wat Chianti later zou vragen. Dat begon al bij de voorbereiding richting Chianti zelf. In de laatste weken liet ik het idee van een strak pacingplan steeds meer los. Ik wist ongeveer waar mijn vermogen moest zitten en welke hartslag realistisch voelde, maar zo’n trailrace voer je nooit netjes uit volgens schema.
Het terrein bepaalt het tempo en je lichaam reageert continu. Mijn aanpak verschoof van vaste getallen naar bandbreedtes: ik dwong minder controle af en liet meer ruimte voor aanpassing.
Dat gaf rust. Maar achteraf zie ik ook wat ik daarmee accepteerde: sommige dingen zouden zich tijdens de race vanzelf oplossen. Op papier oogde dat volwassen, alleen was het net zo goed gemakzucht.
Het parcours voelde anders dan ik had verwacht
Aan de start in Chianti merkte ik direct dat het parcours anders liep dan ik in mijn hoofd had opgebouwd. Er waren geen lange, overzichtelijke klimmen waar je rustig in een ritme komt, maar veel kortere stukken die elkaar constant afwisselden. Op en af, steeds opnieuw versnellen, corrigeren en terugschakelen.
Het parcours was niet extreem technisch, maar wel onrustig genoeg om nooit helemaal ontspannen te bewegen. Dat begon langzaam door te werken.
Tot ongeveer kilometer 25 à 30 liep alles zoals gehoopt. Mijn hartslag bleef stabiel, vermogen zat goed en conditioneel voelde het verrassend ontspannen.
Daarna kantelde het, zonder dat er iets dramatisch gebeurde. Ik ging niet stuk en liep niet leeg, het werd alleen minder soepel.
Na een klim voelde mijn pas zwaarder. Vervolgens moest ik in een afdaling weer terug naar een lichtere, soepelere manier van bewegen. Dat schakelen kostte steeds meer energie. Daar vroeg de race iets anders dan conditie.
Het zijn zelden grote fouten waardoor een race kantelt
Tussen de tweede en derde verzorgingspost maakte ik ook nog een inschattingsfout: ik nam te weinig drinken mee. Geen grote misser, maar wel genoeg om het laatste stuk richting die post onnodig krap te maken.
Achteraf denk ik niet dat dat toeval was. Bij een solide voorbereiding verslapt ergens de scherpte. Je vertrouwt te veel op het idee dat de grote lijnen wel kloppen.
Trailrunning kantelt vaak door kleine dingen die zich opstapelen: een paar slordigere passen, iets minder drinken, net iets meer energie verliezen in iedere overgang.
Het lastige is dat je die dingen juist mist doordat je denkt dat je genoeg weet.
De race testte iets anders dan ik had voorbereid
Als ik nu terugkijk, is het verschil duidelijk. Mijn conditie was goed genoeg. De race draaide om iets anders: hoe efficiënt ik bleef bewegen onder herhaalde belasting, en hoe mijn lichaam omging met dat constante schakelen tussen klimmen, afdalen en weer oppakken.
Het lijken 8 stevige klimpartijen; het zijn er rommelig twee keer zoveel
Het ging om de kwaliteit van bewegen terwijl vermoeidheid zich opstapelt. Ik finishte in 5:24:04, goed voor een 281e plaats van de ruim duizend deelnemers. Een prima resultaat op papier.
Dat resultaat bleef niet hangen. Het gevoel van die race bleef wel hangen: een serie kleine aanpassingen, steeds weer schakelen, corrigeren en opnieuw ritme zoeken. Op een gegeven moment reageer je op het parcours én op de aannames die je vooraf hebt gemaakt.
Lange trails testen hoe lang je blijft opletten
Voor een volgend trainingsblok verschuift de focus daardoor vanzelf naar specifieker werk in plaats van nóg meer duur: meer nadruk op spieruithoudingsvermogen, op efficiënt blijven bewegen na belasting en op de overgang van zwaar naar licht die in deze race zo bepalend bleek.
Maar ergens veranderde tijdens Chianti ook iets anders.
Aan het begin draaide deze voorbereiding vooral om de vraag hoe snel ik deze race kon lopen. Gaandeweg werd dat een andere vraag:
hoe lang kan ik goed blijven bewegen wanneer het niet meer vanzelf gaat?
Daar wordt trailrunning interessant: blijven opletten wanneer je voorbereiding je bijna te gerust maakt.