Naar inhoud

Je training klopt, maar toch schuurt het ergens

Waarom een goed trainingsschema toch kan schuren. Over belasting, data, herstel en trainen op wat je trailrace echt vraagt.

1 mei 2026
Stapel hardloopboeken over training op een tafel, met een kamerplant op de achtergrond

Een tijd lang maakte ik mijn training vooral ingewikkeld, omdat ik bang was om verkeerd te kiezen. Uphill Athlete, 80/20, Jason Koop: ze wijzen allemaal net een andere kant op, en toch zit geen van hen ernaast. Dat maakte het lastig, want als alles wel een beetje werkt, hoe weet je dan wat jij nodig hebt?

Ik bleef daar een tijd in hangen: meer lezen, meer vergelijken, steeds kleine dingen aanpassen. Achteraf gezien zocht ik geen beter systeem, maar minder twijfel. Uiteindelijk vond ik het antwoord in wat er tijdens mijn eigen trainingen en races steeds opnieuw gebeurde.

De echte training begon pas toen de vermoeidheid zich opstapelde

Ik ging het meest vooruit met een simpel schema: veel rustige trainingen, één gerichte prikkel en een duidelijke structuur die ik lang genoeg volhield. Mijn tempo werd natuurlijker, mijn inspanning bleef stabieler en ik kon langer doorlopen zonder in te storten. Doordat ik lang genoeg hetzelfde deed, ging ik ook patronen zien.

Daardoor veranderde mijn vraag. Eerst was dat: wat is het beste systeem? Toen werd het: wat gebeurt er als ik in een race langzaam leegloop? Dat lijkt een klein verschil, maar het veranderde veel. Als je eerlijk naar je eigen races kijkt, kom je meestal uit bij een limiter. Bij mij zat die niet in klimmen of pure conditie, maar in wat er gebeurt als het niet meer vanzelf gaat: kan ik goed blijven bewegen als ik al lang moe ben?

Zwaar trainen geeft vaak meer voldoening dan goed trainen

Vanaf dat moment keek ik anders naar trainingsbelasting. Een zware training met veel hoogtemeters, intensiteit en vermoeidheid geeft al snel het idee dat je goed bezig bent, maar dat gevoel kan je misleiden. Na een rustige training heb je juist vaak het gevoel dat je iets laat liggen, en dat je harder moet trainen om vooruit te komen. Dat merkte ik zelf ook. De trainingen waar ik op de lange termijn beter van werd, waren meestal weinig spectaculair: geen heroïsche sessies of complete uitputting, maar gecontroleerde trainingen die ik bleef doen.

Ik liet eindelijk genoeg ruimte om kwaliteit op te bouwen, in plaats van telkens vermoeidheid te stapelen. Alleen maar rustig trainen was ook niet de oplossing, want in Z1/Z2 kom je nooit in het gebied waar je race wordt beslist. Andersom werkt het meestal net zo slecht. Als je alles zwaar maakt, heb je het gevoel dat je lekker bezig bent, tot je merkt dat je herstel achter je ambitie aan strompelt. Dat had ik eerder al geleerd, toen ik CrossFit en hardlopen te makkelijk op elkaar stapelde.

Structuur maakte meer verschil dan motivatie

Het meeste verschil zat niet in welk systeem ik koos, maar in hoe lang ik eraan vasthield. Een simpele week die je consequent volhoudt, levert vaak meer op dan een perfect schema waar je steeds van afwijkt. Dat is weinig spectaculair, en juist daarom lastig. Met structuur heb je zelden het gevoel dat je vooruitgaat, eerder dat je jezelf inhoudt, alsof je minder serieus bezig bent omdat er minder te sleutelen valt.

Toch zag ik juist daar patronen ontstaan, met rustige trainingen die rustig bleven, één gerichte intensieve prikkel en een lange duurloop die meer was dan alleen uren maken. In die lange trainingen zie je wat er gebeurt: of je hartslag stabiel blijft, of je tempo langzaam wegzakt, of je loopstijl rommelig wordt zodra de vermoeidheid zich opstapelt. En vooral of je nog beweegt zoals je wilt als het moeilijker wordt. Zo draaide trainen voor mij om iets anders: begrijpen waar ik de controle begon te verliezen.

Data werd pas nuttig toen ik niet meer alles wilde sturen

Daarom ben ik data ook anders gaan gebruiken. Hartslag, vermogen en bijvoorbeeld Pw:Hr kunnen veel laten zien, ook patronen die je tijdens een training zelf niet meteen voelt: of je drift oploopt, of je vermogen wegzakt terwijl de inspanning hetzelfde blijft. Alleen merkte ik ook hoe makkelijk je daarin doorschiet. Data werkt goed als spiegel, maar minder goed als stuur dat je constant probeert recht te houden, want niet elke afwijking betekent dat er iets misgaat. Soms is een training gewoon matig, zijn je benen zwaar of heb je slecht geslapen.

Pas als dezelfde signalen steeds terugkomen, wordt het interessant. Een hartslag die structureel hoger ligt, vermoeidheid die niet wegtrekt, kwaliteit die verdwijnt: dat zijn meestal patronen en geen incidenten, en daar moet je dan eerlijk naar durven kijken.

Specifieker trainen hielp me niet verder

Ik merkte ook hoe snel je je training ingewikkelder maakt zodra iets minder goed gaat. Heeft een race veel hoogtemeters, dan lijkt het logisch om nóg meer hoogtemeters te maken. Is een bepaald terrein zwaar, dan wil je daar nóg specifieker op trainen. Maar in Chianti merkte ik dat het probleem soms niet in één ontbrekende prikkel zit: elke overgang van klimmen naar dalen gaat steeds meer kosten naarmate de vermoeidheid zich opstapelt. Met al dat specifieke werk worden je trainingen in de praktijk vaak zwaarder, niet beter.

Ik trap daar zelf ook makkelijk in, want “specifieker” klinkt overtuigend, alsof meer complexiteit betekent dat je slimmer bezig bent. De grootste stap zat voor mij in versimpelen, en dat vond ik minder prettig dan ik wil toegeven. Met ingewikkeld trainen heb je tenminste het gevoel dat je grip hebt.

Kijk dus eerst naar tijd en intensiteit, en pas daarna naar terrein, hoogtemeters of details. Een gecontroleerde duurloop van anderhalf uur met niet te veel hoogtemeters kan veel meer opleveren dan een sessie die op papier perfect lijkt, maar zoveel kost dat de rest van je week eronder lijdt. Alleen zijn dat zelden indrukwekkende keuzes.

Goed trainen is weinig spectaculair

Omdat goed trainen zo weinig spectaculair is, blijven zoveel sporters zoeken naar het perfecte systeem. Goed trainen is vaak verrassend normaal: niet dramatisch zwaar, niet extreem ingewikkeld en zelden op de limiet. Je traint gewoon zo regelmatig dat je weken op elkaar kunt stapelen zonder dat de kwaliteit wegzakt. In dat middengebied heb je het minst het gevoel dat je echt traint, en het is ook het lastigst vol te houden. Als alles zwaar voelt, doe je waarschijnlijk te veel. Schuurt er nooit iets, dan doe je te weinig.

Ik heb lang naar het “beste” systeem gezocht, en achteraf gezien leverde dat zoeken vooral ruis op. De grootste stap was stoppen met eindeloos aanpassen en een schema lang genoeg volhouden om patronen te herkennen. Dan blijft er één vraag over: kan ik blijven bewegen zoals ik wil, op het moment dat het moeilijk wordt? Helpt een schema je niet om die vraag te beantwoorden, dan is het vooral een mooi schema.

AuteurRobin van der VleutenHybride atleet uit de lage landen, onderweg naar de UTMB. Schrijft over kracht, duinen en doorgaan. Meer over mij

Verder lezen

Alle artikelen

Voor wie traint en twijfelt.

Wat ik onderweg leer over kracht en uithouding. Zonder omweg.

Geen spam. Uitschrijven kan altijd.

Lees het laatste artikel