Er was een periode waarin mijn training vooral complex werd omdat ik bang was om verkeerd te kiezen.
Uphill Athlete. 80/20. Jason Koop. Ze wijzen allemaal net een andere kant op, maar geen van allen zitten ernaast. Dat maakte het lastig. Als alles ergens werkt, hoe bepaal je dan wat jij nodig hebt?
Ik bleef daar een tijd in hangen: meer lezen, meer vergelijken, steeds kleine dingen aanpassen. Achteraf zocht ik geen beter systeem, maar minder twijfel.
Tot het probleem scherper werd: het antwoord zat in wat er tijdens mijn eigen trainingen en races steeds opnieuw gebeurde.
De echte training begon pas toen vermoeidheid zich begon op te stapelen
De meeste progressie kwam uit een simpel schema. Veel rustige trainingen, één gerichte prikkel en een duidelijke structuur die ik lang genoeg volhield. Mijn tempo voelde natuurlijker, mijn inspanning bleef stabieler en ik kon langer blijven lopen zonder dat alles uit elkaar begon te vallen. Daar begon iets te verschuiven: mijn lichaam kreeg genoeg herhaling om patronen te laten zien.
De vraag verschoof van: wat is het beste systeem?
Maar eerder: wat gebeurt er zodra een race me langzaam begint leeg te trekken?
Dat verschil lijkt klein, maar veranderde veel. Zodra je eerlijk naar je eigen races kijkt, kom je meestal uit bij een limiter. Voor mij zat die limiter niet in klimmen of pure conditie. Hij zat in wat er gebeurt zodra het minder vanzelf gaat: kan ik goed blijven bewegen als ik al lang moe ben?
Zware training voelt vaak productiever dan goede training
Vanaf dat moment keek ik anders naar trainingsbelasting. Zware training voelt al snel productief, met veel hoogtemeters, intensiteit en vermoeidheid. Het geeft het idee dat je goed bezig bent.
Dat gevoel kan misleiden.
Veel rustige trainingen voelen verdacht onproductief, alsof je iets laat liggen en harder zou moeten trainen om progressie te maken. Ik merkte dat zelf ook. De trainingen die me op lange termijn beter maakten, voelden vaak weinig spectaculair: geen heroïsche sessies of complete uitputting, maar gecontroleerde trainingen die ik bleef uitvoeren. Daar zat de progressie.
Ik liet eindelijk genoeg ruimte om kwaliteit op te bouwen in plaats van telkens vermoeidheid te stapelen. Alleen rustig trainen was ook niet het antwoord. Alleen maar Z1/Z2 mist blootstelling aan het gebied waar je race beslist wordt. Dat was dezelfde les die ik eerder leerde toen ik CrossFit en hardlopen te makkelijk bovenop elkaar stapelde.
Het tegenovergestelde werkt meestal net zo slecht. Alles zwaar maken voelt productief, tot je merkt dat je herstel achter je ambitie aan strompelt.
Structuur maakte meer verschil dan motivatie
Het meeste verschil zat niet in welk systeem ik koos, maar in hoe lang ik het hetzelfde hield. Een simpele week die je consequent uitvoert, werkt vaak beter dan een perfect schema waar je voortdurend van afwijkt.
Het is weinig spectaculair, en juist daarom lastig. Structuur voelt zelden als vooruitgang. Het voelt eerder alsof je jezelf inhoudt, alsof je minder serieus bezig bent omdat er minder te repareren valt.
Toch zag ik daar patronen ontstaan: rustige trainingen die rustig bleven, een gerichte intensieve prikkel, een long run die meer deed dan alleen tijd maken.
In die langere trainingen zie je wat er gebeurt: of je hartslag stabiel blijft, of je tempo langzaam wegzakt, of je vorm uit elkaar valt zodra vermoeidheid zich opstapelt. En vooral of je nog steeds beweegt zoals je wilt wanneer het moeilijker wordt.
Daar begon training iets anders te betekenen: beter begrijpen waar controle begint weg te lekken.
Data werd pas nuttig toen ik stopte alles te willen controleren
Daarom ben ik data anders gaan gebruiken. Hartslag, vermogen en bijvoorbeeld Pw:Hr kunnen veel laten zien. Je ziet patronen die je tijdens een training zelf niet altijd direct voelt: of je drift oploopt, of je vermogen wegzakt terwijl je inspanning hetzelfde voelt.
Ik merkte ook hoe makkelijk je daarin doorschiet. Data werkt goed als spiegel, minder goed als stuur dat je constant probeert recht te trekken. Want niet iedere afwijking betekent dat er iets misgaat. Soms is een training matig, zijn je benen zwaar of slaap je slecht.
Pas wanneer dezelfde signalen terug blijven komen, wordt het interessant. Een hartslag die structureel hoger ligt, vermoeidheid die niet wegtrekt, kwaliteit die verdwijnt: dat zijn meestal patronen, geen incidenten. Daar moet je eerlijk genoeg durven kijken.
Meer specifiek trainen maakte mijn trainingen niet beter
Ik merkte ook hoe snel je training ingewikkelder maakt zodra iets minder goed begint te voelen. Als een race veel hoogtemeters heeft, voelt het logisch om nóg meer hoogtemeters toe te voegen. Als een bepaald terrein zwaar voelt, wil je daar nóg specifieker op trainen. Maar zoals Chianti liet zien, zit het probleem soms niet in één ontbrekende prikkel, maar in hoe duur elke overgang wordt zodra vermoeidheid zich opstapelt. In de praktijk maakt dat trainingen vaak zwaarder, niet beter.
Ik trap daar zelf ook makkelijk in. “Specifieker” klinkt overtuigend. Alsof meer complexiteit betekent dat je slimmer bezig bent.
De grootste stap zat voor mij in versimpelen. Dat vond ik minder prettig dan ik zou willen toegeven. Ingewikkeld trainen voelt al snel alsof je grip hebt.
Eerst kijken naar tijd en intensiteit. Daarna pas naar terrein, hoogtemeters of details. Een gecontroleerde duurtraining van anderhalf uur met gematigde hoogtemeters kan veel waardevoller zijn dan een sessie die op papier perfect lijkt, maar zoveel kost dat de rest van je week eronder lijdt. Dat soort keuzes voelen alleen zelden indrukwekkend.
Goed trainen voelt weinig spectaculair
Daarom blijven zoveel sporters zoeken naar het perfecte systeem. Goed trainen voelt vaak verrassend normaal: niet dramatisch zwaar of extreem ingewikkeld, en zelden op de limiet. Gewoon consistent genoeg om weken op elkaar te stapelen zonder dat de kwaliteit langzaam verdwijnt.
Dat middengebied voelt vaak het minst overtuigend. Als alles zwaar voelt, doe je waarschijnlijk te veel. Schuurt er nooit iets, dan te weinig.
Dat gebied ertussenin is lastig vast te houden: training die gecontroleerd blijft terwijl er progressie ontstaat, juist omdat het niet spectaculair voelt.
Ik heb lang gezocht naar het “beste” systeem. Achteraf werd dat zoeken zelf een vorm van ruis. De grootste stap was stoppen met eindeloos aanpassen en lang genoeg uitvoeren om patronen te herkennen.
Er blijft één vraag over: kan ik blijven bewegen zoals ik wil bewegen, op het moment dat het moeilijk wordt?
Als een schema die vraag niet helpt beantwoorden, is het vooral een mooi schema.